Ik open mijn mond en stuur enkele klanken de wereld in. Het heeft iets vreemds, iets beestachtigs zelfs. De laatste tijd herken ik mezelf niet meer. Na een lange dag vol emotionele pietluttigheden en ondraaglijke kwellingen, kruip ik telkens weer mijn bed in om de leegte te omarmen. De leegte die mijn lijf en leden maar vooral mijn gedachten beheerst. Steeds weer.
Als ik denk aan wie ik ben en wie ik wil zijn of worden zinkt het laatste beetje van mezelf weer eens dieper weg. De meeste facetten van mijn menselijk bestaan ben ik zelfs al lang kwijt. Ze zijn samengesmolten met de grote oceaan die mijn tranen reeds gevormd hebben. Al zijn die tranen ondertussen wel opgedroogd. Huilen heeft geen zin als je niets bent of niemand wil zijn of worden. Een existentiële crisis is niets vergeleken met wat er echoot in mijn leegte. Geen vragen, geen antwoorden, geen dromen.
En toch evolueert de meest uitzichtloze situatie tot een overdreven, nietig gebeuren, dat zelfs in de laan der herinneringen geen plaats meer vindt. Steeds weer. Ook mijn hart en ziel zijn verbonden aan het onoverkomelijk lot om te leven, te begrijpen, te voelen. De neiging om het licht te proeven zet zich als een dwangbuis om me heen. Het leven aftastend overkomt het mij. Ik lach en leef en schrijf.
Ik voel het. Geluk.
vrijdag 16 augustus 2013
donderdag 13 december 2012
Adieu
Zwarte dromen, een donker hol
Ze hadden gelijk de Maya's en Azteken
Enkel wanhoop op deze aardbol
Geen glimlach, geen geluk
Ik hou het voor bekeken
Bezwijk onder de druk
Als de wereld dan toch vergaat
Sta ik paraat
Om mee te verdwijnen in de oneindigheid van het heelal.
Oerknal.
Ze hadden gelijk de Maya's en Azteken
Enkel wanhoop op deze aardbol
Geen glimlach, geen geluk
Ik hou het voor bekeken
Bezwijk onder de druk
Als de wereld dan toch vergaat
Sta ik paraat
Om mee te verdwijnen in de oneindigheid van het heelal.
Oerknal.
zondag 18 november 2012
Een knipoog naar C.
Het is 22u, de avondschemering sijpelt door mijn rode gordijnen naar binnen. Ik zit, met slechts een witte mantel rond mijn lijf geslagen, aan mijn bureau en leg de laatste hand aan mijn paper. Over het eindproduct ben ik vrij tevreden, het heeft me dan ook heel wat bloed, zweet en tranen gekost. Letterlijk zelfs. Ik denk terug aan al die keren dat, wanneer ik ijverig aan die verdomde paper werkte, mijn hartmonitor op hol sloeg, simpelweg omdat mijn hart het bijna begaf van de stress. Ik heb een zwak hart, ziet u. Aangeboren. Niets aan te doen.
Ik word in mijn overpeinzen gestoord door een duif, die tot drie maal toe met zijn bekje tegen de ruit tikt. God, ik schrik me een ongeluk. Het apparaatje in mijn borstkas begint weer hevig te protesteren. Ik probeer te kalmeren, het is nog te vroeg om aan een hartstilstand ten onder te gaan. Ik wil me terug op mijn paper storten, wanneer ik merk dat er iets niet helemaal klopt. Ik voel twee ogen priemen in mijn nek. Een opdringerige geur doet me happen naar adem. Ik ben bang.
Ik beslis om me om te draaien. Veel andere opties heb ik ook niet, aangezien de deur aan de andere kant van de kamer is (waar ik momenteel met mijn rug naartoe sta) en we ons op de 9de verdieping van het appartementsgebouw bevinden, net iets te hoog dus om via het raam te vluchten. Vlak voor ik me wil omdraaien, voel ik een warme bries langs mijn nek glijden. Het is te laat, hij staat al vlak achter mij. Er gaat een schok door m'n lichaam wanneer ik plots zijn hand op mijn schouder voel rusten. De geur wordt steeds indringender.
Mijn hart lijkt wel losgerukt te worden van alle pezen en bloedvaten waaraan het oorspronkelijk vast zit en ik voel me onwel worden. In het kleine spiegeltje aan m'n bureau krijg ik een - weliswaar beperkt - zicht op mijn kamer. Wat ik zie lijkt onwerkelijk. Een zwarte, haast doorzichtige schim vormt mijn schaduw. Zijn hand dat al die tijd op mijn schouder is blijven liggen, wordt omhoog getild. Twee rode, doordringende ogen, als ware het laserstralen, zijn het laatste wat ik waarneem. Twee steken ter hoogte van mijn borstkas vervagen mijn zicht. Ik val in een diepe slaap.
Daags nadien. Ik word wakker in een lijf dat nooit meer zal ontwaken. En terwijl ik verder opstijg naar de eeuwigheid - heel diep of oneindig hoog - neem ik afscheid van mijn lichaam, voor altijd gescheiden van mijn geest.
zondag 28 oktober 2012
Ad interim
Vergeef me.
Voor het bloggen van niet één bericht.
Voor het feit dat ik eerder voor de televisie dan voor
het neerpennen van creatieve brouwsels ben gezwicht.
Voor het gegeven dat steeds tekort schiet.
Voor mijn blik die wel waarneemt
maar niet echt ziet.
Vergeef me
dat ik niet zijn kan wie jij hoopt
dat mijn brein niet voldoet aan jouw eisen
nu de onzekerheid ook mijn gedachten onverhoopt
binnensluipt.
Het spijt me
dat mijn karakter aan zelfdiscipline ontbreekt
maar wie weet
Ooit voldoe ik misschien wel aan jouw eisen.
Mijn eisen?
Mijn eisen.
zodat ook het oppermachtig wezen niet meer smeekt
om stilte
in mijn hoofd.
Zijn hoofd.
Voor het bloggen van niet één bericht.
Voor het feit dat ik eerder voor de televisie dan voor
het neerpennen van creatieve brouwsels ben gezwicht.
Voor het gegeven dat steeds tekort schiet.
Voor mijn blik die wel waarneemt
maar niet echt ziet.
Vergeef me
dat ik niet zijn kan wie jij hoopt
dat mijn brein niet voldoet aan jouw eisen
nu de onzekerheid ook mijn gedachten onverhoopt
binnensluipt.
Het spijt me
dat mijn karakter aan zelfdiscipline ontbreekt
maar wie weet
Ooit voldoe ik misschien wel aan jouw eisen.
Mijn eisen?
Mijn eisen.
zodat ook het oppermachtig wezen niet meer smeekt
om stilte
in mijn hoofd.
Zijn hoofd.
donderdag 2 augustus 2012
00.00
Nog half in dromenland word ik gewekt door een oorverdovend alarm. Ik schrik op uit mijn slaap. Gedesoriënteerd kijk ik de kamer rond, niet meteen wetend waar ik me bevind. Wanneer het tot me doordringt dat ik me in mijn eigen, vertrouwde bed bevind en blijkt dat die verdomde wekker aan de oorzaak ligt van het abrupt beëindigen van een toch wel mooie droom, klop ik gefrustreerd op de standby-knop van het toestel. Die handeling zorgt ervoor dat het alarm, een geluid dat trouwens door merg en been gaat, afsterft en de stilte wederkeert.
Starend in de duisternis denk ik terug aan de droom van daarnet. Slapen zal ik toch niet meer. Er scheelt altijd wel iets. Vannacht werd het elektriciteitsnetwerk lamgelegd door een storm, vorige week door een fout bij werkzaamheden, de maand ervoor was het een vogel die stom genoeg bleek om zich te laten elektrocuteren door één van de elektriciteitsdraden. Ik vraag me af of zoiets wel mogelijk is. Waarschijnlijk niet, men verzint de meest onmogelijke dingen om de enige echte waarheid te verbergen: de techniekers uit het boerengat waarin ik leef, zijn klungels. Niet eens in staat om de bevolking langer dan een maand van stroom te voorzien. Klojo's zijn het. En elke keer word ik weer weggerukt uit welk dromenland ik ook verkeerde door het snijdende alarm van mijn op hol geslagen wekkerradio. Ik kan je verzekeren, na zo'n hartstilstand te hebben overleefd, doe je geen oog meer dicht. En dus denk ik terug aan de droom van daarnet. Een vredige droom, zonder overbodige elektronicatoestellen. Zonder wekkerradio's. Denkend aan zo'n mooie droom, voel ik mezelf weer wegglijden in de slaap waarvan ik dacht dat ik ze niet meer zou kunnen vinden en bedenk opeens dat ik in plaats van de standby-knop wel eens de snooze-knop zou kunnen ingedrukt hebben. In het donker verwar je die wel eens met elkaar. Maar het is te laat. Ik glijd steeds dieper weg. Weg van de volgende hartstilstand die me binnen dit en 20 seconden zal overvallen.
Starend in de duisternis denk ik terug aan de droom van daarnet. Slapen zal ik toch niet meer. Er scheelt altijd wel iets. Vannacht werd het elektriciteitsnetwerk lamgelegd door een storm, vorige week door een fout bij werkzaamheden, de maand ervoor was het een vogel die stom genoeg bleek om zich te laten elektrocuteren door één van de elektriciteitsdraden. Ik vraag me af of zoiets wel mogelijk is. Waarschijnlijk niet, men verzint de meest onmogelijke dingen om de enige echte waarheid te verbergen: de techniekers uit het boerengat waarin ik leef, zijn klungels. Niet eens in staat om de bevolking langer dan een maand van stroom te voorzien. Klojo's zijn het. En elke keer word ik weer weggerukt uit welk dromenland ik ook verkeerde door het snijdende alarm van mijn op hol geslagen wekkerradio. Ik kan je verzekeren, na zo'n hartstilstand te hebben overleefd, doe je geen oog meer dicht. En dus denk ik terug aan de droom van daarnet. Een vredige droom, zonder overbodige elektronicatoestellen. Zonder wekkerradio's. Denkend aan zo'n mooie droom, voel ik mezelf weer wegglijden in de slaap waarvan ik dacht dat ik ze niet meer zou kunnen vinden en bedenk opeens dat ik in plaats van de standby-knop wel eens de snooze-knop zou kunnen ingedrukt hebben. In het donker verwar je die wel eens met elkaar. Maar het is te laat. Ik glijd steeds dieper weg. Weg van de volgende hartstilstand die me binnen dit en 20 seconden zal overvallen.
Abonneren op:
Posts (Atom)